Juli 2009


Als mama zegt; ‘Ik ga je pakken’ en achter mij aan rent, dan ben ik blij. Ik vind het fantastisch, ik ren dan weg en als we bij mijn eetstoel zijn en ik kan geen kant op, kruip ik onder de stoel door om toch nog weg te komen.


Het stofzuigen wordt meer een favoriete bezigheid. Ik kan ook steeds beter stofzuigen. Ik stofzuig zelfs onder de bank en de box. Als mama boven stofzuigt en ik ben beneden, dan word ik boos, want ik wil ook stofzuigen.


Ik haal vaker kattekwaad uit. Als de ventilator aanstaat, trek ik de stekker eruit. Papa en mama worden dan boos, maar het interesseert me weinig. Zodra ik de kans krijg, trek ik de stekker er weer uit. In de keuken haal ik vaker de pannen uit de kast en zoek een lepel om erop te slaan. Als papa of mama de lepel afpakken, word ik boos en begin ik hard te huilen. Ik heb ook de bestekla ontdekt. Ik haal de lepels eruit en verstop ze in mijn loopwagen. Als papa en mama gaan eten, weten ze waar ze een lepel kunnen vinden.


Op Bibelot heb ik deze maand in de hal gespeeld. Ik heb een maatje leren kennen en samen zijn we in de hal op ontdekkingstocht gegaan. Ik vind het leuker om samen te spelen dan in mijn eentje. Als ik een jongen uit mijn groep met een speen zie komen, probeer ik het uit zijn mond te trekken. Een andere jongen probeerde me te aaien en ik rende voor de gein weg. Ik heb aan tafel veel te vertellen. Kinderen luisteren aandachtig naar wat ik te zeggen heb.


Ik ben een buitenmens. In de tuin speel ik graag. Ik loop van lantaarn naar lantaarn. Ik trek graag aan de planten en wroet regelmatig in de aarde.


Als papa en mama over mij praten, heb ik het door. Ik kijk ze dan lachend aan. Als ik harde geluiden hoor, doe ik mijn oren dicht.


In de tas van de kinderwagen, ligt een pompje. Als papa en mama niet kijken probeer ik stiekem het pompje te pakken. Als mama dan kijkt, leg ik het pompje snel weg en doe dan net alsof er niets aan de hand is.


Voor het eerst zijn we sinds mijn geboorte een aantal dagen van huis. We zijn naar Antwerpen gegaan. Ik vind het bijzonder om ergens anders te zijn. Ik inspecteer de kamer goed. Ik test de telefoon en als ik op een knopje van de kluis druk, roep ik daaa. De lift in het hotel is ook leuk. Ik druk graag op de bel en als de lift naar beneden gaat, zeg ik heeeeee. In Antwerpen krijg ik veel aandacht van vrouwelijk schoon.


Met mij uit eten gaan, is rampzalig. Ik maak er een rommel van. Ik gooi al het eten en bestek op de grond. Ik vind uit eten gaan, niks aan.


Voor het eerst zijn we naar Scheveningen geweest. Ik genoot ervan om op het strand met mijn schepje en emmer aan de slag te gaan. Toen ik het spelen met zand zat was, liep ik weg.